zondag 12 juli 2009

NIEUWE EUROPESE CULTUUR

NIEUWE EUROPESE CULTUUR

Twee Berlijnse jeugdrechters spreken duidelijk taal


De vinger leggen op discriminatie, intolerantie en racisme buiten de westerse cultuur heeft de reuk van racisme en discriminatie en wordt beschouwd als het aanwakkeren van haat tegen vreemde culturen. Men riskeert bijna zeker [een aanklacht wegens] smaad wanneer men de feiten benoemt die in tegenspraak zijn met de idealisering van die vreemde culturen. Het is daarom heel verfrissend om te lezen wat twee Berlijnse rechters te zeggen hebben over de multiculturele realiteit in de hoofdstad van Duitsland.

Hieronder het interview van de Berlijnse ”Tagesspiegel” met de twee rechters:

”Beschavingsnormen gelden niet meer.”
Haat en angst behoren in vele wijken tot het leven van alledag. De rechters Kirsten Heisig en Günter Räcke waarschuwen voor een nieuwe dimensie van het jeugdgeweld.

Het gebeurt zelden dat rechters naar buiten treden in de openbaarheid. Dus, waarom zitten we hier vandaag?

RÄCKE: Omdat wij dagelijks meemaken dat er veel dingen echt goed verkeerd gaan, vooral in delen van Neukölln, Tiergarten, Schöneberg en Wedding. In deze districten stijgt het aantal geweldsmisdrijven, de misdaden worden steeds ernstiger en de daders steeds jonger. Men merkt, dat bepaalde beschavingsnormen niet meer bestaan of niet meer gelden.

HEISIG: Het zijn vooral de jongeren van Turkse en Arabische herkomst die meer geweldsmisdrijven plegen. Deze daders vergiftigen de sfeer in hun stadsbuurt, ook ten nadele van de zich daar aangepast hebbende buitenlandse families. De jeugdige slachtoffers, overwegend Duitsers, hebben intussen al een soort berusting ontwikkeld en zeggen: ”Daar kunnen we niets tegen doen. Het geweld hoort bij ons alledaagse leven.” Dat is een dimensie die we tot nu toe niet hadden. En de afgelopen twee jaar is de situatie verslechterd.”

U bent beide al vele jaren werkzaam als jeugdrechter. Wat vertellen de slachtoffers in uw rechtszaal?

RÄCKE: Dat men op straat heel alert moet zijn. De jongeren letten er op dat ze niet in de buurt van bepaalde groepen komen. Ze zijn bang om op het verkeerde moment iemand in de ogen te kijken, omdat iemand daar wel eens aanstoot aan zou kunnen nemen. Men krijgt het gevoel dat vele wijken aan het afglijden zijn.

Omdat de meerderheid door een kleine groep wordt geterroriseerd?

RÄCKE: In delen van Neukölln zijn de jongeren van Turkse en Arabische herkomst immers gewoon in de meerderheid.

HEISIG: Correct is echter dat de veelplegers, over wie we het hier hoofdzakelijk hebben, natuurlijk een kleine minderheid vormen.

Ziet u nog andere nieuwe tendensen?

HEISIG: We stellen bij de gewelddadige personen de laatste tijd een onverbloemde vijandigheid tegenover Duitsers vast. Meisjes worden beledigd, betast, geschopt en in de aktes lees je dan ook altijd: ”Duitse slet!” Zoiets is bij mij vroeger überhaupt niet voorgekomen, behalve in verband met Duitse daders en vreemdelingenhaat.

RÄCKE: ”Klotenchristen”, ”Varkensvreter” – dat zijn begrippen die echt in de mode zijn. Kortgeleden kregen we te horen over een school waar een ingang door de scholieren onofficieel alleen voor Turken en Arabieren werd gereserveerd. Daar mochten Duitse scholieren niet door. Toen een kind een van de regels overtrad, werd het meisje met copulatiebewegingen tegen de muur gedrukt en bedreigd met: ”Jij mag je blik niet opheffen. Een Duitse slet mag mij niet aankijken.”

HEISIG: Maar dat zijn op zichzelf staande gevallen.

RÄCKE: Zeker, maar nog maar enkele jaren geleden zou je je zulke scènes niet hebben kunnen voorstellen. Men mag niet de ogen sluiten voor het feit dat er nu zulke dingen bestaan. En men moet dat ook mogen uitspreken.

In het veiligheidsbericht van de Bondsregering wordt gezegd: in totaal neemt de jeugdcriminaliteit af. Bovendien zouden er aanwijzingen voor bestaan dat jongeren geweld als conflictoplossing van de hand zouden wijzen.

(Ze lachen allebei en schudden met hun hoofd)

RÄCKE: In de door mij genoemde districten is niemand ermee geholpen dat de totale Duitse statistiek er rooskleurig uitziet. Er wordt immers ook gezegd dat het aantal geweldsdelicten alleen maar gestegen zou zijn, omdat er meer bereidheid zou bestaan om aangifte te doen dan vroeger. Als ik doorvraag ontstaat er vaak een tegenovergesteld beeld. Van veel roofdelicten wordt helemaal geen aangifte gedaan, omdat de daders dreigen: ”Als iemand het te weten komt, steek ik je neer!” Dan wordt de schoolpas meegenomen om het slachtoffer bang te maken en om te laten zien dat men zijn adres kent. Dat is heel gewoon.

Wat raadt u de slachtoffers dan aan?

HEISIG: Ik kan de gedupeerden alleen maar oproepen om van elk delict aangifte te doen.

U zegt dat het steeds erger wordt. Waarom?

RÄCKE: Dat ligt enerzijds aan het feit dat wij pas in beeld verschijnen wanneer de daders 14 jaar oud, dus strafrechtelijk aansprakelijk, zijn. We hebben echter vaak met daders te maken die op deze leeftijd al helemaal buiten de samenleving functioneren.

HEISIG: Deze jongens beginnen deels al op acht- of negenjarige leeftijd met hun misdaden.

RÄCKE: Ik heb in politieverhoren gelezen dat zulke kinderen er frank en vrij over vertellen dat ze al 40 roofovervallen hebben gepleegd.

Pleit u ervoor om de leeftijd van strafrechtelijke aansprakelijkheid te verlagen?

RÄCKE: IK betwijfel of dat veel nut zou hebben

HIESIG: Er zou in principe veel eerder, dus al op school, moeten worden ingegrepen. Je ziet gewoon dat er te weinig gecontroleerd wordt of de kinderen naar school gaan. Als we dat accepteren komen we in een vicieuze cirkel terecht: de kinderen leren niet goed Duits, ze hebben geen diploma, krijgen geen stageplaats…

Er bestaat toch leerplicht?

HEISIG: Die wordt echter niet consequent doorgevoerd.

RÄCKE: Of wordt niet meer serieus genomen. Het spijbelen is in schrikbarende mate gewoonte geworden in onze klantenkring. Laatst had ik een meisje dat me vertelde dat ze al op de kleuterschool gespijbeld had. Sinds groep 7 is ze helemaal niet meer in de lessen verschenen. Er zijn er veel die weliswaar nog als scholier op bepaalde lijsten staan, maar in werkelijkheid gaan ze al jaren niet meer naar school. Dat interesseert eigenlijk niemand echt iets.

Misschien vinden de leraren het niet erg als de moeilijke leerlingen wegblijven.

HEISIG: Die indruk hebben we wel en vanuit menselijk oogpunt gezien zou dat begrijpelijk zijn – alleen helpt het helaas niets.

RÄCKE: We hebben immers ook veel meer met aangeklaagden te maken die ook in hun eigen schoolloopbaan voor enorme problemen hebben gezorgd. Ik lees dan steeds opnieuw over de methodes die de scholen in zulke gevallen gebruiken en daarover moet ik echt lachen – of ook wel grienen. De straf luidt dan namelijk: uitsluiting van de lessen! En op een gegeven moment volgt dan de verwijdering van de school. Als rechter kan ik in ieder geval met gevangenisstraf dreigen als mijn bevel om regelmatig de school te bezoeken niet wordt opgevolgd.

Hoe beleeft u dan deze gezinnen in de rechtszaal?

HEISIG: Ik zie de Turkse of Arabische vaders bijna nooit bij de rechtszitting. De moeders komen vaker, dragen niet zelden een hoofddoek en lijken echt heel bezorgd te zijn. Maar ze komen over alsof ze het allemaal niet meer aankunnen en vaak hebben ze helemaal geen grip meer op de ontwikkelingen.

RÄCKE: Ik zie af en toe ook vaders. Maar in de meeste gevallen is communicatie met de ouders onmogelijk. Als ze iets willen zeggen dan moet de aangeklaagde, de zoon dus, vertalen.

HEISIG: Wanneer de Raad van Kinderbescherming erbij betrokken is en probeert contact te leggen met het gezin, dan blijkt vaak: het is heel, heel moeilijk om een ingang te vinden in een Turks, Koerdisch of Arabisch gezin. Het zou heel goed zijn wanneer men in zulke gevallen de beschikking zou hebben over iemand uit de eigen cultuurkring. Maar ik vind niet dat hierop per se aanspraak mag worden gemaakt.

U vindt veelmeer de immigranten als de samenleving verantwoordelijk?

HEISIG: Het maakt het zo moeilijk dat we niet kunnen vaststellen of er in deze gezinnen daadwerkelijk een consensus met onze samenleving voorhanden is. Het moet duidelijk zijn dat er in dit land autoriteiten en regels bestaan die voor iedereen gelden. Maar intussen is er een houding ontstaan om altijd op alles aanspraak te kunnen maken, volgens welke de Duitsers eerst altijd in overleg moeten gaan en de culturele omstandigheden van dit gezin zouden moeten leren kennen en accepteren – dan wordt het paard achter de wagen gespannen. Dat kan niet functioneren.

Ex-senator Karin Schubert had het idee om zulke gezinnen te dreigen met ontzegging uit de ouderlijke macht. Wat vindt u ervan om deze kinderen uit hun sociale omgeving weg te halen?

RÄCKE: Dat zou het proberen waard zijn, omdat we dan niet aan de grens van 14 jaar gebonden zijn. Wellicht zouden we er dan toe in staat zijn vele dingen te voorkomen. Ik heb er alleen mijn twijfels over of de wil en het potentieel voorhanden zijn om dat voor elkaar te krijgen. Bovendien is er nog een andere vraag: wat doet men met een 10-jarige crimineel die wil doorgaan met zijn gebruikelijke zaakjes?

Berlijn heeft geen gesloten tehuizen.

RÄCKE: Daarom. Dus gaat de jongen weer naar Neukölln. De les, dat ze in principe ongemoeid worden gelaten, leren de kinderen snel. Vrij naar het motto: Wie maakt me wat! Ik beschouw dat pedagogisch als fataal. Daarom komen we niet om gesloten kindertehuizen heen.

HEISIG: In ieder geval is opvoeden het punt, niet bestraffing. Gesloten tehuizen zijn niet het middel van keuze – maar ze zouden wel moeten bestaan. Anders moeten we in Beieren kijken of we daar zo’n kind kunnen onderbrengen. Het klinkt altijd vreselijk: kinderen weghalen en in een tehuis stoppen. Maar het kan het laatste alternatief zijn. Om dat uit politieke reden af te wijzen en helemaal niets te doen betekent: wegkijken.

RÄCKE: Het probleem heeft iets van een lawine.

Welke waarden hebben deze kinderen en jongeren eigenlijk?

HEISIG: Het is opvallend dat het geloof bij deze problematiek kennelijk geen rol speelt. Het is veelmeer dat deze jongeren geen toegang hebben tot een mobiele telefoon en MP3-speler. Dan verschaffen ze zich deze met geweld.

Dus de jongeren handelen puur consumptiegericht?

RÄCKE: Nee, niet alleen. Met zulke daden kan men in deze kringen ook een zeer onbehouwen vorm van sociaal prestige verkrijgen. Een deel van het probleem is echter ook de vreemdelingenpolitiek. We hebben enorme moeilijkheden om mensen uit te wijzen die hun identiteit versluieren en door het begaan van strafbare feiten alle immigranten in diskrediet brengen. Aan de andere kant hebben we meer immigranten nodig die echt nuttig zouden zijn voor de gemeenschap, die als voorbeelden zouden kunnen dienen.

U doet het opruimwerk voor een politiek die niet meer functioneert?

RÄCKE: Opruimwerk? Dat is al te hoog gegrepen.

U heeft al de nodige aanzetten voor oplossingen genoemd. Bijvoorbeeld dat de leerplicht weer moet worden gehandhaafd.

RÄCKE: Wanneer echter op scholen woorden als ”Arschloch” nog tot de vriendelijke behoren, gaat daar principieel iets fout. Dan hebben we geen behoefte aan zulke instellingen.

Moet het jeugdrecht aangescherpt worden?

RÄCKE: We hebben de juridische middelen die we nodig hebben. Maar organisatorisch zou men iets kunnen doen: het Openbaar Ministerie zou eindelijk regionaal moeten functioneren. Dan zouden er officieren van justitie zijn die voor bepaalde wijken verantwoordelijk zijn. Daar zouden ze eerder kunnen herkennen wie een probleem wordt. Dan zouden de officieren van justitie ook eerder kunnen optreden.

LINK oorspronkelijke artikel: http://www.tagesspiegel.de/berlin/art270,2190900

Bron: www.pi-news.net

Vertaald uit het Duits door:

E.J. Bron in Het Vrije Volk


Commentaar
Als wij, in onzen tijd, enz….dan hadden wij een nette ‘pochette’ in ons borstzakske, een modieuze flinke ‘cravatte’ rond onze nek, en wat veel briljantine in ons haar. En als dat niet genoeg was om succes te boeken bij ’t vrouwvolk, dan moesten we bewijzen te kunnen dansen (o horror-tijden aan de toog geplakt!) of moesten we, Oscar Wilde-achtig, staan dromen voor het raam, een pijp in de vuist, manhaftig uitkijkend naar wat nog komen moest….De meisjes waren gerokt tot bijna op de enkels en ze hadden opgestoken haardotten (miserie, miserie!) als mini-hooioppers op het maaiveld…Zij (en wij ook, maar dat lieten we niet blijken!) moesten thuis zijn om 10 uur, als ’t nog klaar was, en in de winter om 6 uur – zelfde reden.
Ikzelf was dan per fiets van Ieper naar Desselgem naar ’t lief gefietst (43,8 Km, heen, en dezelfde Km terug – zie Google) terwijl mijn latere echtgenote, de Vrouw van mijn leven, ergens onderweg nog gelukzalig op de schoolbanken zat. Ik mocht inderdaad, inzake huwelijksgeluk, pas na het vagevuur de hemel ontdekken. Als ik dus, na een oer-gezellige namiiddag (!) op de ouderlijke hoeve, rond de keukentafel, dan uiteindelijk achter het hoekje afscheid van het lief kon nemen, moest het toch iedere zondag lukken, dat ‘Meter’ het buitenlicht aandeed, om kolen voor de Leuvense stoof binnen te halen. Bezorgdheid om de kuisheid van haar dochter, of signaal voor mij om het maar af te trappen? Of had ze schrik van den donker? De hofplaats was inderdaad nogal ingewikkeld…
Al die vroegere attributen van de uitgangswereld mag de jeugd vergeten!
Het volstaat heden ten dage een ‘vlindermes’ op zak te hebben, lemmet 20 cm daar waar een zakmesje, in vroeger tijden, al een moordwapen was!
En de meisjes?
Dat moet dan loslopend wild zijn, zeker?

Geen opmerkingen: